Kunst in tijden van corona

Kunst in tijden van corona

Op het moment dat ik eind februari een prachtig beeld van Bernini bewonderde in het Rijksmuseum, (Caravaggio-Bernini; Barok in Rome), bevroedde ik geen moment dat dat mijn laatste museumbezoek zou zijn voor de komende twee maanden. Ik wist van het coronavirus, maar dat was ver weg in China en in een paar andere landen. Het besef dat wij, hier in Nederland, geraakt konden worden door een pandemie was er toen bij mij en vele anderen niet. Het toont misschien vooral onze arrogantie. Alsof wij, in een rijk westers land, gevrijwaard zouden blijven van zulk onheil. Dat wij ook kwetsbaar zijn is nu bij de meesten wel doorgedrongen. Maar wat gebeurt er met je, met mij, als de toegang tot kunst, voorheen zo vanzelfsprekend, ineens wegvalt?

De eerste weken van de lockdown was ik daar niet mee bezig. De ernstige ziektegevallen, de overspoelde IC’s, de overledenen, de zorg voor mijn naasten, het thuiswerken en afstand houden, dat was allemaal veel belangrijker. Maar met meer vrije tijd ging ik wel zelf weer creatief aan de slag met collages. Ik had behoefte aan schoonheid, mooie foto’s, mooie kleuren, balsem voor mijn ziel zo je wil. Langzamerhand gingen musea andere manieren bedenken om mensen deelgenoot te maken van kunst, met een virtuele tour bijvoorbeeld. Maar het idee om via internet door een museum te “lopen” sprak mij niet erg aan. Live voor een schilderij staan en de richting van de kwaststreek kunnen zien, of de dikte van de verflaag, dat is voor mij vooral de waarde van een museumbezoek.

Na een aantal weken in lockdown kwam er via Twitter ineens een foto langs van de Instagrampagina @Tussenkunstenquarantaine. De foto was een tweeluik: aan de ene kant het bekende schilderij van “Meisje met de parel” van Johannes Vermeer, daarnaast een foto van een prachtige donkere jonge vrouw, in dezelfde houding (afbeelding 1).

Afb. 1 Meisje met de parel

Achteraf gezien was dát voor mij het moment waarop ik me realiseerde dat ik naar kunst kunnen kijken echt miste. Al was het een foto, het is een vernieuwende manier om naar kunst te kijken, een samenvoeging van kunst zoals je die in een goede tentoonstelling ook kan vinden. De pagina is gestart door Anneloes en Floor, al in week één van de lockdown maatregelen, en het idee is simpel en briljant tegelijk: kies je favoriete kunstwerk, gebruik maximaal drie attributen om het zo goed mogelijk na te maken en zet het op Instagram met de tag @Tussenkunstenquarantaine. Het resultaat is ronduit verbluffend. Fantasievol, creatief en heel gevarieerd.

Corona

In het kader van de coronapandemie zijn er heel veel voorbeelden, waaronder een groot aantal met gebruik van veel wc-papier! Maar vooral deze twee vond ik erg mooi: de eerste is een close-up uit het schilderij “De hand van God” (2), van Michelangelo, de tweede is de nagemaakte “De bedreigde zwaan” van Jas Asselijn (3).

Afb. 2 De hand van God
Afb. 3 De bedreigde zwaan

Nog een andere die in deze groep valt, is een versie van “Het Laatste Avondmaal” (4) naar het origineel van Leonardo da Vinci.

Afb.4 Het Laatste Avondmaal

Letterlijk en figuurlijk

In de categorie die ik maar even “letterlijk en figuurlijk” noem, wil ik graag twee creaties naast elkaar zetten van hetzelfde schilderij van René Magritte “De Mensenzoon” (5 en 6). De eerste is heel letterlijk, bij de tweede moest ik twee keer kijken. Wat prachtig gevonden!

Afb. 5 De Mensenzoon
Afb.6 De Mensenzoon

Millais

Een van mijn favoriete schilderijen “Ophelia” van John Everett Millais komt een paar keer voor (7 en 8), zowel in het water als op een bed, met allebei prachtige attributen waarmee er ook een sfeer wordt geschapen. Mijn wens om dat schilderij eens in het echt te gaan zien werd weer aangewakkerd, maar Engeland moet helaas nog even wachten!

Afb. 7 Ophelia
Afb. 8 Ophelia

Klimt

Het ontroerende schilderij van Gustav Klimt “Moeder en Kind” is ook in de re-enactment ontroerend (9 en 10).

Afb. 9 Moeder en Kind

Afb. 10 Moeder en Kind

Dancing People

Als laatste voorbeeld het schilderij “Dancing Peoples” van Keith Haring, dat toont dat je deze opdracht met het hele gezin kan doen (11). Prachtig! Maar ga vooral zelf kijken want de nieuwe kunstwerken zijn eindeloos in hoeveelheid en variatie!

Afb. 11 Dancing People

Gelukkig mogen deze week de musea weer open en kunnen we weer live genieten van alle prachtige kunstwerken, zij het op afspraak. Maar dit initiatief laat zien dat schilderijen in de harten van mensen zitten, dat ze leven en tot creativiteit leiden en dus zeker niet alleen maar in het museum hangen!

Hansje Cozijnsen

28 mei 2020

Wie is hier nou eigenlijk gek?

“De gedachte is: er is een kleine groep die problemen heeft, die zit in de GGZ, de rest redt zich wel. Maar dat klopt natuurlijk helemaal niet!”, dat ongeveer zei David van de Berg van Redesigning Psychiatry in de Tegenlicht uitzending “Gewoon gek”.

Van de hele uitzending is die zin me het meest bijgebleven. Niet alleen omdat ik het initiatief van Redesigning Psychiatry toejuich, maar vooral omdat het me persoonlijk raakte. Ook ik ben onder behandeling geweest van de GGZ en ergens dwaalt in mijn hoofd nog steeds de gedachte dat ik daarmee heb gefaald, al weet ik eigenlijk beter. Maar dat is mijn hoofd. Ik ben niet in staat om een baan vol te houden, de prikkels en de stress kosten me zoveel energie en brengen me zo snel uit het lood, dat ik er heftige lichamelijke reacties van krijg, waardoor ik me ziek moet melden. Na lang uitproberen, na steeds wéér proberen, begin ik tot de conclusie te komen dat ik de snelheid, de ratrace, het gevoel constant te moeten presteren in onze maatschappij, gewoon niet bij kan benen. Daar zijn allerlei redenen voor; onveilige jeugd, ziektes, depressies, maar vooral ook het feit dat onze maatschappij zo in elkaar zit dat er weinig ruimte is voor mensen die dat tempo niet kunnen of willen bijhouden. Toen ik het programma had bekeken en zo om me heen kijk naar de mensen die dat tempo wel volhouden, dan rijst bij mij de vraag: wie is hier nou eigenlijk gek?

Want van de mensen die het tempo wel volhouden, wat houdt hen overeind? Wat maakt dat ze niet omvallen? Ik zie in elk geval twee dingen. Ten eerste dat veel leed niet wordt erkend, noch wordt benoemd. Dat een groot deel van de bevolking slecht slaapt, lichamelijke problemen heeft, en relatieproblemen heeft, maar daarvan de schuld buiten zichzelf legt. Onderkennen dat je iets niet aankan, dat je relatie niet goed zit en dat je daar hulp bij kan vragen is voor velen een brug te ver. Dichtbij huis ervaar ik het ook zo, terwijl bekenden aan mij en anderen kunnen zien dat therapie heilzaam kan zijn, geloven ze toch dat zij geen therapie nodig hebben. De redenen variëren dan van een oprecht geloof dat zij zich nooit beter zullen kunnen voelen dan hoe ze zich nu voelen, tot een overtuiging dat het vooral aan de anderen ligt: als mijn man maar niet was weggegaan was alles nu goed geweest. Bovendien zal schaamte ook een rol spelen.

Ten tweede zijn er ook mensen die oprecht geloven, al dan niet bewust, dat als ze maar dit of dat krijgen of doen, dat hen dan ziekte en leed bespaard zal blijven. Het magisch denken noem ik dat, iets waar ik als kind en jongvolwassene erg veel last van had. Als ik nou niet op die tegel loop, dan komt alles goed. En nu zie ik een hele goegemeente die elke week dure yogalessen volgen en veganistisch eten, allerlei supplementen nemen, om maar voor te zijn dat ze ziek worden, om maar het idee te hebben dat het hen niet kan overkomen. Sommigen kunnen dan ook moeilijk meeleven met diegenen die wel ineens ernstig ziek worden. Alsof het besmettelijk is. Hoe vaak heb ik niet simpele oplossingsgerichte opmerkingen gehoord, waarmee anderen mij probeerden gerust te stellen toen ik ziek was. “Je moet gewoon veel water drinken, stoppen met vlees, veganistisch gaan eten, leuke dingen gaan doen, veel noten eten, yoga gaan doen”, etc. Goed bedoeld? Misschien. Maar vooral een manier om zichzelf gerust te stellen, om de ziekte buiten de deur te houden en te blijven geloven dat als zij zelf die goede dingen maar blijven doen, zij niet ziek zullen worden.

Erkennen dat je iets niet aankan, dat de angst voor het leven of voor de dood je in de greep heeft, dat je niet kan slapen, dat je je niet weerbaar voelt, dat je de regie kwijt bent, vergt moed. De realiteit onder ogen zien dat het leven niet altijd maakbaar is en dat je eigenlijk heel weinig controle hebt is pijnlijk en confronterend. Dan hulp gaan zoeken en aan jezelf gaan werken en de regie weer terugvinden, is dan dus niet zwak, maar moedig en sterk. Dus wie is er nou gek? Degene die wegloopt of degene die het aangaat?

De regie kwijtraken

En toch voelt het soms nog steeds alsof ik gefaald heb, omdat ik tot de weinigen behoor die hulp heeft gezocht, die het niet alleen kon. Mijn ervaring is dat het fout kan gaan als je als kind of als volwassene het gevoel hebt dat je de regie kwijt bent. In mijn geval begon dat al net na mijn geboorte. Een van mijn ouders was altijd ziek, er was een scheiding, ik stotterde heel erg en ik werd gepest. Allemaal situaties waarin ik de regie volkomen kwijt was en er was toen nog geen protocol voor scholen om zulke kinderen te helpen. Dus geen logopedie, geen steun bij het weerbaar maken bij pesten, geen lotgenotencontact voor kinderen met psychisch zieke ouders, geen gedeeld ouderschap. Gelukkig is dat er nu allemaal wel, al zullen er ook nu allerlei redenen zijn, zoals de ellenlange wachtlijsten onder andere, waarom de hulpverlening niet aankomt, op het verkeerde moment of de verkeerde manier, wat nog steeds leidt tot grote problemen van eenzaamheid en onveiligheid voor de kinderen van nu. David van de Berg zei ook dat als we kindermishandeling echt de wereld uit zouden kunnen helpen, dat dat ook zou zorgen voor een enorme afname in de hulpvraag van (jong) volwassenen!

Als volwassene kan je natuurlijk ook de regie kwijtraken, door ziekte, scheiding, werkeloosheid, verlies van een dierbare. En als je geen veilige binding hebt ervaren als kind lig je al mijlen ver achter. Want juist het voelen en ervaren van een basisveiligheid, eerst bij je ouders en daarna als het goed is bij jezelf, maakt dat je zulke problemen beter het hoofd kan bieden.

Maar als je de regie kwijt bent en je dat niet zelf op kunt vangen, kom je in aanraking met hulpverlening. En dan moet je vooral (in mijn jeugd maar nu nog steeds) heel erg veel mazzel hebben dat je bij de goeie hulpverlener, en op het juiste moment, terecht komt. De lange wachtlijsten is een groot probleem, maar je hebt ook nog te maken met een grote groep hulpverleners die niet altijd doen, of kunnen doen, wat het beste is voor jou. In het slechtste geval zijn de hulpverleners gewoon niet bekwaam, ja dat is een kleine groep, maar ze zijn er wel, vooral in het segment coaches en andere, niet onder supervisie vallende beroepsgroepen in hulpverlenersland. Maar het overgrote deel is zeker bekwaam en hebben echt ook jouw belang in het oog, maar toch kan de klik er niet zijn, worden ze beknot in hun werkwijze vanuit financiële motieven, of is de GGZ niet ingesteld op complexe hulpvragen. Let wel, het is allerminst mijn intentie om hulpverleners negatief af te schilderen, want ik heb heel goede ervaringen opgedaan en heel veel geleerd van zeer wijze en professionele mensen, maar er zijn ook minder goede ervaringen.

Dus als je dan het geluk hebt dat je ergens een plek hebt gevonden, wat zijn dan de lessen die mij het meest geholpen hebben als ik terugkijk? In een paar kernwoorden zijn dat: uit mijn slachtofferschap komen, eigenaarschap nemen van mijn eigen leven en mijn eigen gevoelens, grenzen aangeven en durven benoemen wat ik voel en die gevoelens allereerst zelf accepteren. Dat klinkt misschien makkelijk, maar het kostte me zo ongeveer 20 jaar om te komen waar ik nu ben. En ik weet dat ik er nog steeds niet ben, in de zin van dat ik kwetsbaar blijf, dat ik mezelf in acht moet nemen en tijd moet vrijmaken om met mezelf in contact te blijven. Het feit dat ik nog steeds de stress van een betaalde baan niet aankan zonder lichamelijke klachten te ontwikkelen heeft me enorm teleurgesteld. Ik kan veel meer (aan) dan 20 jaar geleden en ik ben, denk ik zelf, een fijner, zachter en empathischer mens geworden, maar de druk van de huidige maatschappij is mij gewoon te veel. Ik geloof er daarom in dat, als we zo door gaan in onze ontwikkeling als maatschappij, we steeds meer mensen zullen verliezen. Als we er niet in gaan slagen om een inclusieve maatschappij te creëren die meer empathisch is, met meer ruimte voor verschillen en eigen-aardigheden, zullen er steeds meer mensen aan de zijlijn komen te staan. Dat heeft gevolgen voor de hele wereld en de manier waarop we leven. Er zal nog meer druk komen op de mensen die wel kunnen werken, er zal een groot beroep worden gedaan op de gezondheidszorg en er zullen steeds meer mensen onnodig lijden. Naast de problemen die we al hebben met het klimaat en de ondoordachte en egoïstische manier waarop we met onze aardbol omgaan, zal het leven er niet leuker op worden.

Toekomst

Voor de toekomst zijn er allerlei mogelijkheden. Zoals hierboven al genoemd geloof ik erin dat we op een andere manier naar onze maatschappij en naar elkaar moeten gaan kijken. De mensen die nu het tempo niet aankunnen of aan willen, zijn geen mensen die falen of zwak zijn. Vaak hebben deze mensen een enorme fijngevoeligheid, creativiteit of andere eigenschappen die heel waardevol zijn voor de mensheid. Bijvoorbeeld medeleven met anderen, een vrije en unieke manier van kijken naar problemen en daarmee ook naar nieuwe oplossingen, in contact zijn met energie en emotie van jezelf en anderen waarmee je tot diepere lagen kan doordringen bij mens en natuur, een natuurlijke wijsheid die niet weggehoond moet worden, maar gekoesterd. Als je mensen echt hoort en ziet, in hun eigen kracht en wijsheid, komt er ruimte voor andere oplossingen, samenwerking, ontplooiing, kan je van elkaar leren en komen we denk ik tot een betere manier van omgang met elkaar en met de natuur.

Daarom ook juich ik het initiatief van Redesigning Psychiatry zo toe. Zij willen de hulp aan mensen met psychische problemen anders vorm gaan geven. De uitgangspunten zijn helder en klinken me als muziek in de oren: luisteren naar jezelf en naar elkaar, samen patronen doorbreken, een leefwereld ontwerpen waarbij we minder onder druk staan en investeren in de ontwikkeling van vermogens (in plaats van focussen op ziektepatronen). Dat is een zienswijze die me uit het hart gegrepen is. Vanuit mijn eigen ervaring zou ik willen toevoegen dat de lessen die ik heb geleerd: eigenaarschap nemen voor je eigen leven en je gevoelens, grenzen aangeven en kunnen en durven benoemen wat je voelt tot kernwaarden zouden moeten worden verheven. Deze lessen zouden kinderen vanaf hun kindertijd moeten leren, op school én thuis! En vooral zouden we moeten onthouden dat geen enkel mens het alleen kan. Ik kan eigenaarschap nemen voor mijn gevoelens, maar als de ander mij niet hoort of serieus neemt, loop ik alsnog vast. Dus ik pleit ervoor om iedereen te leren hoe je zelf omgaat met pijn en verdriet en hoe je omgaat met een ander die pijn heeft of verdriet.

Daarmee bedoel ik concreet: als jij degene bent met pijn, weet dan dat de pijn er mag zijn, dat het weer over gaat en neem eigenaarschap. Daarmee bedoel ik: accepteer wat je voelt en bedenk zelf wat je nodig hebt om het draagbaarder te maken. Kan je het delen met anderen? Heb je hulp nodig? Heb je tijd nodig om te rouwen? Kan je verdragen? En hou het bij jezelf, in de zin van: leg jouw probleem niet op het bordje van een ander. Alleen jij kan voelen wat je voelt en bedenken wat je nodig hebt. Niemand kan jouw probleem voor je oplossen! Maar een ander kan je wel steunen en troosten, je herkenning bieden en je laten merken dat je de moeite waard bent!

En als je degene bent die iemand hoort of ziet die pijn heeft of verdriet: luister naar de ander en laat diegene in zijn/haar waarde. Je kan proberen te stimuleren dat iemand zelf weer de regie gaat pakken, maar neem NIET de regie over! Hoe goed bedoeld ook, je helpt iemand daar niet mee. Laat de ander voelen dat wat hij of zij voelt goed is, dat het weer overgaat, dat het er mag zijn. Laat het probleem bij de ander, maak het niet jouw probleem, en ga het niet oplossen. Het gaat hier niet om jou! Vraag naar gevoelens en gedachten van anderen en luister, bevestig en wees eerlijk. Laat weten wat het met je doet. Dat de ander hoort dat jij ook verdriet hebt of het moeilijk vindt om de ander in pijn te zien, kan juist troosten en de verbinding leggen tussen jou en de ander die zo nodig is.

Op onze levensreis hebben we allemaal onze hobbels te nemen, wees niet bang ze te delen: niets menselijks is ons tenslotte vreemd!

Hansje Cozijnsen

9 maart 2020

Lezende vrouwen in de kunst

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.

Ida Gerhardt

Afb. 1a Interieur

Laatst zag ik een ansichtkaart van het schilderij van Edgar Fernhout, Interieur,1951, (afb.1a), waarop een vrouw ligt te lezen op een bed. Het sprak me als fervent lezer meteen aan. De kleuren, het gevoel van een zomerdag en luiheid. Dat het een thema kon zijn was me eigenlijk nooit zo opgevallen, maar vanaf dat moment ging ik letten op schilderijen waarin gelezen wordt. Het begon me op te vallen dat lezende vrouwen anders worden afgebeeld dan lezende mannen. Mannen zie je vaak met een studieboek, in een kantoor of in een wetenschappelijk aandoende ruimte, vrouwen zie je dan weer liggend op bed, in een leunstoel of voor het raam. De dikke pillen die je bij mannen vaak ziet, zijn bij vrouwen dunne flodderboekjes of tijdschriften. Zoals bijvoorbeeld in de schilderijen van Fabio Cipolla Amusante Lektuur, 1900, (afb.1) en Andrey Shishkin, Hermit in his cell, (afb.2).

Afb. 1 Amusante lectuur

Afb. 2 Hermit in his cell

 

 

 

 

Waarom is het zo anders? Het meest voor de hand liggende antwoord is dan natuurlijk dat er in onze patriarchale maatschappij anders wordt gekeken naar mannen dan naar vrouwen, zeker als er ook een boek in beeld is. Maar is dat wel zo? Ik besloot me er wat meer in te verdiepen en te kijken naar de geschiedenis van lezende vrouwen in de schilderkunst.

Het was niet makkelijk om hierover literatuur te vinden. Er zijn veel afbeeldingen van schilderijen te vinden met dit thema, hele blogs die eraan gewijd zijn, maar onderzoek naar juist deze invalshoek kon ik niet vinden. Ik vond wel een heel interessant boekje: Vrouwen die lezen zijn gevaarlijk” van Stefan Bollmann, met een inleiding van Kristien Hemmerechts. Later vond ik ook nog een goed artikel in de Irish Times van 5 maart 2019, geschreven door Jamie Camplin “Portrait of a reader: A short history of books in paintings”. Dit zijn dan ook mijn voornaamste bronnen van informatie. Verder heb ik op verschillende internetsites afbeeldingen gevonden van de in dit artikel genoemde schilderijen.

Hoe het allemaal begon

Afb. 3 Annunciatie

De eerste afbeeldingen van vrouwen met een boek zijn Bijbelse vrouwfiguren. Zo is in 1333 de Annunciatie verbeeld door Simone Martini met een afbeelding van Maria die een boek vasthoudt (afb. 3). Deze Maria is niet de onschuldige Maria, maar een belezen Maria, een kunst die in die tijd was voorbehouden aan ontwikkelde mensen.

afb. 4 Maria Magdalena

In 1540 maakte Ambrosius Benson een schilderij van een lezende Maria Magdalena, (afb. 4). De mooie vrouw die aandachtig in het rood fluweel omvatte boek kijkt, was toen een allegorie van een huwelijksbelofte.

 

Later kwam Rembrandt van Rijn met zijn schilderij van de Oude lezende vrouw, 1631, (afb. 5). De weelderig geklede oude dame, duidelijk van gegoede stand, heeft niets beters meer te doen dan de Bijbel te bestuderen. Ze houdt haar vinger bij de regel om goed te kunnen lezen, wat je ook als een gebaar van intimiteit met de tekst kunt opvatten. Al deze schilderijen gaan vooral over religie en een welgestelde klasse.

Afb. 5 Oude, lezende vrouw

In de 16e eeuw was lezen nog steeds voorbehouden aan de rijkere klasse, maar er waren al wel meer vrouwen die lazen. Dat resulteerde in schilderijen waarvan je je af kan vragen of de schilder geïnteresseerd was in het lichaam of de geest van de vrouw, zoals bijvoorbeeld in het schilderij van Francois Boucher, Madame de Pompadour, 1756, (afb.6). Ze ligt hier in haar boudoir, omringd door boeken, te wachten op haar minnaar Louis XV, het boek lijkt slechts een tijdelijke afleiding te zijn.

Afb. 6 Madame Pompadour

Schilders werden geacht te schilderen wat ze zagen, dat wat aanwezig was. Aangezien kunstenaars toen nog vooral mannen waren, is het niet gek dat veel schilderijen een vrouw als object hebben. De gedachte toen was dat mannen graag kijken naar vrouwen en dat vrouwen graag naar zich laten kijken. In het geval van een lezende vrouw gebeurde er ook nog iets anders: terwijl ze leest zit ze in haar eigen wereld. De essentie van het lezen is je verliezen in een andere wereld, en je omgeving en de blik van een ander vergeten. Een eigen wereld waar je als kijker geen toegang toe hebt en dat heeft voor sommigen iets erotiserends. Je kijkt naar iets wat je eigenlijk niet hoort te zien. Mannen lieten zich graag verleiden door het beeld van een mooie vrouw, verstild in haar eigen wereld. Het ging niet om de vrouw en haar visie op de wereld, het ging om de toeschouwer (de man) die zich kon verliezen in dit droombeeld, zoals in de schilderijen van Théodore Roussel, Lezend meisje, 1886, (afb.7) en Isaac Israels, Liggend Naakt, circa 1894-1900, (afb.8).

Afb. 7 Lezend meisje

Afb. 8 Liggend Naakt

 

 

 

 

 

De verandering

Heel vroeger werd er vooral door mannen gelezen en hardop, in groepjes. Lezen was bedoeld als een gecontroleerde manier van kennisverwerving binnen de veiligheid van een eigen sociale groep. De emancipatie van het lezen vanaf de 16 en 17e eeuw had tot gevolg dat meer mensen gingen lezen, (inclusief vrouwen) en dat steeds meer mensen in stilte gingen lezen, waardoor er geen sociale controle meer was. Bij de opkomst van Luther, in de 17e eeuw, werden bijbels in de plaatselijke taal vertaald, omdat Luther vond dat iedereen zélf de Bijbel moest kunnen lezen. Hiertoe werden zelfs hele alfabetiseringscampagnes gehouden. In Zweden was het zelfs verplicht dat iemand eerst moest kunnen lezen voor ze tot de Zweedse Lutherse kerk werden toegelaten. Speciale controleurs bezochten dorpen in het hele land om te zien of de alfabetisering een beetje vorderde. Bijkomend voordeel was dat steeds meer vrouwen ook de brochures met gezondheidsinformatie konden lezen, waardoor de kindersterfte aanzienlijk afnam!

In de 18e eeuw lazen zodoende veel meer mannen en vrouwen dan ooit tevoren in Europa. En zij lazen natuurlijk niet alleen de Bijbel! Maar naarmate de vrouw zich tijdens het lezen meer afzonderde in haar eigen wereld, werd ze ook ongrijpbaarder voor de man en dat leidde tot grote problemen in de door mannen gedomineerde wereld. Een ander probleem wordt mooi beschreven in Madame Bovary van Gustave Flaubert. De hoofdpersoon, Madame Bovary, ging zo op in de fantasieën die zij las dat ze probeerde om deze fantasieën in haar eigen leven werkelijkheid te laten worden. Maar dat ging natuurlijk helemaal mis. Door al deze ontwikkelingen en de angst dat de vrouw haar plaats niet meer zou kennen, werd er op grote schaal en op allerlei manieren geprobeerd om de vrouwen te beteugelen. Dat varieerde van het vaststellen van canons met goedgekeurde literatuur voor vrouwen, tot het onderzoek doen naar (en bekend maken van) mogelijke gevolgen van de “verdorvenheid van het lezen en het erbarmelijke effect op de gezondheid” van mannen en vrouwen, maar natuurlijk vooral op de voortplantingsorganen van vrouwen. Zo stelde de Zwitserse pedagoog Karl G. Bauer in 1791 dat het “gebrek aan lichaamsbeweging bij het lezen gekoppeld aan de zo agressieve afwisseling van voorstellingen en gevoelens” leidt tot “slapheid, slijmvorming, winderigheid en verstopping in de ingewanden, die, zoals bekend, bij beide, maar vooral bij het vrouwelijk geslacht, eigenlijk rechtstreeks op de geslachtsdelen inwerken”.

Maar vrouwen op hun plaats terug willen zetten gebeurde ook in de schilderkunst. Op schilderijen met een lezende vrouw als object, werd de vrouw vaak liggend afgebeeld, soms naakt, soms met een ontblote schouder, soms in een tuin met kinderen aan haar voeten.

Afb. 9 In de bibliotheek

Er moest weer een vrouw van haar gemaakt worden, iemand die er voor anderen is, zacht en volgzaam, zoals Édouard Vuillard laat zien in zijn In de bibliotheek uit 1925, (afb.9). 

 

Soms was de kritiek vervat in een verwijt, zoals in het schilderij van Pieter Janssens Elinga, Lezende vrouw, 1665-1670, (afb. 10). De kamer is wat rommelig en we kijken de vrouw op de rug; een dienstmeid die zich afsluit van haar plichten en in haar eigen wereld opgaat. Terwijl zij zich verliest in een emotionele opwinding die er misschien voor zorgde dat haar zelfbewustzijn veranderde, schildert de kunstenaar een stille aanklacht van een dienstmeid die haar plicht verzaakt. Maar vrouwen lieten zich niet tegenhouden, de verandering was ingezet.

10-Elinga, lezende vrouw

Afb. 10 Lezende vrouw

In de loop van de 18e en 19e eeuw emancipeerde de vrouw zich verder, mede door het lezen. Dat begon met jonge welgestelde vrouwen, omdat boeken nog erg duur waren. Dat deden ze waarschijnlijk niet eens zozeer om zich af te zetten, maar meer uit een verlangen naar zelfbevestiging op maatschappelijk vlak. Het gaf vrouwen een nieuw en aangenaam gevoel van zelfbewustzijn. Zij verslonden boeken en tijdschriften en onttrokken zich zo aan de directe controle van hun omgeving en de maatschappij. Het werd duidelijk dat een lezende vrouw niet alleen hier is, maar ook elders, dat ze sterk is en vol van wat ze net heeft gelezen. Op deze manier veroverde ze zich een vrijplaats waar zij alleen toegang had en ervoer ze een vrijheid die ze in de opgelegde sociale rollen van die tijd niet kon ervaren in het werkelijke leven.

Boeken waren, toen en nu, ook een middel in de ontwikkeling van de fijngevoeligheid van het individu. Door te lezen leer je je te verplaatsen in de gevoelens van iemand anders, waardoor je je eigen gevoelsmogelijkheden ervaart en je horizon verbreedt. Als voorbeeld noem ik graag het prachtige schilderij van Franz Eybl, Lezend meisje, 1850, (afb. 11).

Afb. 11 Lezend meisje

Hier zie je een jonge vrouw, een meisje nog bijna, die helemaal opgaat in wat ze leest. Een ontluikende volwassenheid is zo mooi vastgelegd in een combinatie van innerlijke bewogenheid en uiterlijke passiviteit.

De opkomst van een nieuwe, onafhankelijke vrouw was ingezet en ook in de schilderkunst werd deze vrouw geportretteerd, zoals in het schilderij van Aleksander Aleksandrowitsj Deineka, Jonge vrouw met boek, 1934, (afb. 12). 

12-Aleksandr-Deineka, jonge vrouw met boek

Afb. 12 Jonge vrouw met boek

En hoe zit het nou met de lezende mannen in de kunst ?

Afb. 13 Thomas Carlyle

Mijn eerste indruk klopte wel: mannen werden vooral geportretteerd als serieuze, studerende, wijze individuen. Zoals aan het begin van dit artikel is te zien in het schilderij van The Hermit in his cell, maar ook in het schilderij van Helen Allingham van Thomas Carlyle, (afb. 13).

 

Toch is dat niet het hele verhaal. Er zijn ook andere schilderijen van lezende jongens en mannen die niet zo patriarchaal zijn, zoals het schilderij van Albert Anker, Die Andacht des Grossvaters, 1893, (afb. 14), of van Avrielle Colburn, The Reader, 2012?, (afb. 15).

14-Anker-_Die_Andacht_des_Grossvaters_1893

Afb. 14 Die Andacht des grossvaters

15-Colburn, Avrielle The Reader

Ik denk dat de meer ontspannen houding van mannen vaker door vrouwen is geschilderd en dat deze schilderijen meestal recenter zijn, maar onderzoek zou daar mogelijk een ander licht op kunnen werpen. Wel kan je zien dat er veel is veranderd in het kijken naar lezende vrouwen en mannen in de schilderkunst. Iets dat waarschijnlijk direct samenhangt met de veranderingen in de maatschappij. Jamie Camplin schreef in zijn artikel in de Irish Times: “Artists (….,) are knowing people. They look around and notice what is truly important about what it is to be human.” (“Kunstenaars zijn wetende mensen. Ze kijken rond en zien wat het echt betekent om mens te zijn.”) Maar wat het is om mens te zijn, is dus ook afhankelijk van de tijdgeest en hoe wij kijken naar elkaar en naar de wereld.

Hansje Cozijnsen

Januari 2020

 

De Levenstrap

Tijdens onze vakantie in de omgeving van Nijmegen kwamen wij op een regenachtige dag in het plaatsje Kleve, net over de Duitse grens. In het Kurhaus was een kleine expositie met hedendaagse kunst die we allebei niet zo bijzonder vonden, maar ze hadden ook een aantal oude schilderijen. Mijn oog viel op het schilderij dat Lebenstreppe werd genoemd.

afb.1 lebenstreppeKurhaus

(1660, Lebenstreppe, Hollandse stijl, maker anoniem)

Het was van een heel zuivere kwaliteit, mooi geschilderd en helder van kleur. Maar wat me vooral opviel was de manier waarop de ontwikkeling van de mens was verbeeld: op een op- en neergaande trap. Ik had zoiets nog niet eerder gezien en het liet me niet los. In de dagen en weken erna ben ik eens gaan zoeken op internet wat een “Lebenstreppe” nou eigenlijk is en waar het vandaan komt. Met hulp van Wikipedia en wat andere sites kwam ik erachter dat de afbeelding van de Levenstrap, (Engels: Steps of Life, Duits: Lebenstreppe of Stufenaltar, Zweeds: Ålderstrappa), een heuse genreschilderkunst is die in de 16e-eeuw begon, zijn hoogtijdagen beleefde in de 18e- en 19e-eeuw en na de Eerste Wereldoorlog een stille dood stierf. Hoe kwamen ze erbij om de ontwikkeling van de mens op deze manier te visualiseren? Wie was de aanstichter?

Waar het begon

Het idee van het onderverdelen van een mensenleven in stadia dateert uit de zesde eeuw voor Christus (althans dat is de eerste keer dat het op schrift is gesteld). Solon van Athene, een Griek die leefde van 640 tot 560 voor Christus, was een zakenman, dichter en politicus. Hij wordt genoemd als een van de zeven wijzen van de presocratische Griekse filosofie. Hij was tijdens zijn leven gezagsdrager (archont) en wetgever en ontwierp de eerste wetten die zouden leiden tot de Atheense democratie. Een man dus met visie. Hij schreef ook gedichten, vooral elegieën (klaagzangen). In een daarvan beschrijft hij de levensloop van de mens in tien periodes van zeven jaar:

A boy, an ungrown child, in seven years puts forth
    a line of teeth and loses them again;
but when another seven God has made complete,
    the first signs of maturity appear.
In the third hebdomad* he’s growing yet, his chin
    is fuzzy, and his skin is changing hue,
while in the fourth one, each achieves his peak of strength,
    the thing that settles whether men are men.
The fifth is time a man should think of being wed
    and look for sons to carry on his line;
and by the sixth he’s altogether sensible,
    no more disposed to acts of fecklessness.
With seven hebdomads and eight — fourteen more years –
    wisdom and eloquence are at their peak,
while in the ninth, though he’s still capable, his tongue
    and expertise have lost some of their force.
Should he complete the tenth and reach the measured line,
    not before time he’d have his due of death.

(Solon, Fr. 27, tr. M. L. West)

*Hebdomad=een groep van zeven

Het getal zeven was al vanaf het oude Egypte een heilig getal, maar ook in de verdere geschiedenis komt het getal zeven steeds weer terug. Denk maar aan de zeven kleuren van de regenboog, de zeven klassieke planeten, de aarde die volgens de Bijbel in zeven dagen werd gemaakt en de zeven sacramenten in het katholicisme. Solon’s indeling van zeven jaar is door veel antieke schrijvers en denkers gebruikt en bewerkt. In die tijd gingen ze ervan uit dat er elke zeven jaar een natuurlijke verandering plaatsvindt in de mens, een ontwikkeling of groei. In de medische wereld wordt zelfs tot op de dag van vandaag nog gewerkt met deze indeling, als men spreekt over de psychische en fysieke ontwikkeling van kinderen.

Latere schrijvers hebben nog wel eens iets veranderd aan de fasen van Solon. Zo had Hippocrates het over zeven stadia, in plaats van tien, Aristoteles had maar drie fasen nodig en Pythagoras gebruikte de seizoenen (vier) om de ontwikkeling van de mens te beschrijven.
Al worden in het nieuwe testament de stadia van tien keer zeven jaar vaak aangehaald, toch heeft Augustinus dit in zijn geschriften veranderd in periodes van zes jaar, omdat, zo zei hij, “er zes spirituele fasen zijn voor de groei naar spirituele volwassenheid”. Hij verbond deze zes fasen aan de zes dagen waarin God de aarde schiep, waarbij de zevende dag een rustdag was.

Ook in de literatuur wordt de onderverdeling van Solon gebruikt en her en der aangepast. Het meest bekende voorbeeld is wel die van Shakespeare, waarin hij zeven stadia beschrijft, in het toneelstuk As you like it. Hij laat het personage Jaques het volgende zeggen:

All the world’s a stage,
And all the men and women merely players.
They have their exits and their entrances,
And one man in his time plays many parts,
His acts being seven ages. At first the infant,
Mewling and puking in the nurse’s arms.
Then, the whining school-boy with his satchel
And shining morning face, creeping like a snail
Unwillingly to school. And then the lover,
Sighing like furnace, with a woeful ballad
Made to his mistress’ eyebrow. Then, a soldier,
Full of strange oaths, and bearded like the pard,
Jealous in honour, sudden, and quick in quarrel,
Seeking the bubble reputation
Even in the cannon’s mouth. And then, the justice,
In fair round belly, with a good capon lin’d,
With eyes severe, and beard of formal cut,
Full of wise saws, and modern instances,
And so he plays his part. The sixth age shifts
Into the lean and slipper’d pantaloon,
With spectacles on nose and pouch on side,
His youthful hose, well sav’d, a world too wide
For his shrunk shank, and his big manly voice,
Turning again toward childish treble, pipes
And whistles in his sound. Last scene of all,
That ends this strange eventful history,
Is second childishness and mere oblivion,
Sans teeth, sans eyes, sans taste, sans everything

Maar laten we gaan kijken naar de schilderkunst.

In de schilderkunst

Zestiende eeuw

Het fenomeen van het afbeelden van de levenstrap begint eigenlijk pas in 1540. Al zijn er voor die tijd ook al schilderingen bekend die de ontwikkeling van een mens centraal stellen en duidelijk de cyclus weergeven van geboorte en dood. Het oudste overgeleverde voorbeeld hiervan komt uit het Psalter van Robert of Lisle, Ten Ages of Man en maakt gebruik van een wiel als metafoor voor de cycli.

afb.2 robertdeLisle27276885942_cf170aeb08_b

(Ten Ages of Man, ca. 1310, maker onbekend, Engeland)

In 1486 maakte Bartholomeus Angelicus  ook nog een eigen versie .

afb. 3 1024px-Stages_of_Life_by_Bartholomeus_Anglicus_1486

(1486, Stages of Life, Bartholomeus Angelicus, Engeland)

Daarna zie je de eerste versie met een trap, al werden er maar drie treden weergegeven.

afb. 4 3steps16eeeuw27098970710_18110093f7_o

(16e-eeuw, Three Steps, maker onbekend, Engeland)

De verschillende zienswijzen van de hierboven vermelde denkers verklaren dat er binnen de schilderijen enig verschil zit in de exacte hoeveelheid stadia. Maar wanneer en waarom gingen ze dit ineens maken?

Een mogelijk antwoord ligt in de tijd waarin dit plaatsvond: de hoge middeleeuwen. Deze periode, tiende tot dertiende eeuw, is de tijd van de kruistochten. Door deze kruistochten kwamen westerse geleerden, door het bestuderen van kunst en cultuur die veelal buit waren gemaakt, in aanraking met de geschriften van de antieke wereld, die in de moslimwereld goed bewaard waren gebleven. Hierdoor kwam er vernieuwde aandacht voor het gedachtegoed van de Grieken en Romeinen, waaronder Solon. Deze hernieuwde kennismaking zou uiteindelijk leiden tot de renaissance, maar dat ging stapsgewijs. In het geval van het gedicht van Solon, en wat anderen daar natuurlijk nog aan hebben toegevoegd, wordt het in elk geval al zichtbaar in de hier beschreven schilderijen die de door Solon benoemde fasen visualiseren.

Pas in 1540 wordt voor het eerst een op-en neergaande trap met meerdere treden gebruikt, die later zo populair zou worden. Het eerste bekende voorbeeld werd gemaakt door de Duitse schilder Jörg Breu de jongere.

afb. 5 metdierfiguren800px-Jörg_Breu_dJ_Die_Lebensalter_des_Mannes

(1540, Die Lebensalter des Mannes, Jörg Breu de jongere, Duitsland)

In deze vorm is de hoogste trede van de trap gereserveerd voor de leeftijd van vijftig jaar voor de mannen en dertig jaar voor de vrouwen. Eigenlijk is dat best vreemd, want het zou nog heel lang duren voor de gemiddelde leeftijd van een man en vrouw boven de dertig à veertig uit zou komen. In Duitsland werden bijvoorbeeld zelfs in 1865 mannen gemiddeld slechts 34 en vrouwen 37 jaar. Waarop de hoge leeftijd in de schilderijen is gebaseerd kan men zich afvragen. Misschien liggen ook hier de verhalen uit de Bijbel aan ten grondslag?
Naast de mensen die worden afgebeeld, worden er in de 16e-eeuw ook nog vaak dieren naast of onder de traptrede geplaatst. Daar was over nagedacht: er waren speciale diersoorten aangewezen voor elk decennium. Voor de mannen waren dat zoogdieren, voor vrouwen vogels.

Leeftijd Mannen Vrouwen
10 bok kwartel
20 kalf duif
30 stier ekster
40 leeuw pauw
50 vos kip
60 wolf gans
70 hond gier
80 kat uil
90 ezel vleermuis

Mannen worden daarnaast natuurlijk vaak afgebeeld als succesvolle zakenmannen of veroveraars, vrouwen daarentegen worden vooral afgebeeld in hun rol als echtgenote en moeder. Dat de schilderijen zo aansloegen heeft waarschijnlijk te maken met de behoefte van de mens om de zin van het leven te zien en de rol die zij heeft in de natuurlijke orde der dingen. Bovendien hadden de schilderijen een duidelijke moraliserende factor. Het liet zien hoe men zich diende te gedragen en wat er van de mens verwacht werd.

In 1550 werd een Nederlander beroemd met zijn versie van de levenstrap, uitgevoerd in houtsnijwerk. Cornelis Anthonisz maakte dit mooie stuk waarin ook goed de verschillende dierfiguren te zien zijn.

afb. 6 1550HolzschnittemetdierenCornelis_Anthonisz._-_Steps_of_Life_(ca._1550)

(houtsnijwerk, De Trap der Leeftijden, Cornelis Anthonisz, Nederland)

Op een site over architectuur uit de zestiende eeuw las ik dat er mensen zijn die opperen dat de opkomst van de trapgevels uit diezelfde periode, te maken zou kunnen hebben met de beginnende populariteit van de levenstrapschilderijen. Beiden maken namelijk gebruik van een stenen op- en neergaande trap met horizontale dekstenen. Maar hier is waarschijnlijk eerder sprake van een wederzijdse inspiratie en zal het vooral de vraag oproepen: wat was er eerst, de kip of het ei?

Zeventiende eeuw

In de zeventiende eeuw wordt het afbeelden van de levenstrap steeds algemener. De afbeeldingen zijn nog steeds religieus getint en zitten vol met symbolische betekenissen, waarvan de belangrijkste wel is: gedenk te sterven! De 17e-eeuwse mens was blijkbaar gewend om te denken in metaforen en in symbolen met een sterk moraliserende inhoud, waarschijnlijk onder invloed van de kerk. Er werden levenstrappen van zowel mannen als vrouwen gemaakt. De Nederlander Entrop was in deze periode een bekende maker van dit soort schilderijen.

afb. 7 EntropLevenstrap_2BISjpg

(1650, Vrouwenspiegel, Entrop, Nederland)

Achttiende eeuw

Werden de afbeeldingen in de zeventiende eeuw nog vooral gebruikt als symboliek voor de eindigheid van het leven, in de achttiende eeuw werden ze verspreid door volksopvoeders om het goede voorbeeld te geven. Er kwamen vooral burgerlijke waarden en normen in voor, waarin de man en de vrouw zich netjes dienden te gedragen en zich voornamelijk moesten bezig houden met God dienen en kinderen krijgen. In deze periode kwamen de eerste schilderijen voor met een echtpaar op de trap en de afbeeldingen van dieren beginnen langzaamaan te verdwijnen. Bijzonder is ook dat het genre zich in rap tempo verspreidde binnen Europa. In Zweden werd de kunstenaar Winter Carl Hansson bekend met zijn versie van de levenstrap die hij in 1799 schilderde in de zogenaamde Kurbits stijl. Deze speciale schilderstijl komt uit Dalarna, een gebied in Zweden.

afb. 8 1048px-Kurbits_1799zweedskunstuitdalarna

(1799, Ålderstrappa, Winter Carl Hansson, Zweden)

In Spanje werd ook vlijtig meegedaan aan dit genre, zo getuige de schilderijen Ages of Man Spain en het werk van Talamantes in zijn Levenstrap van de vrouw.

afb. 9 Ages_of_man_Spain_c1750

(1750, copperplate print, Ages of Man Spain, anoniem, ingekleurd door Renart, Spanje)

afb.10 vrouwTalamantes 18e eeuw27340904206_37ca779757_b

(late 18e-eeuw, houtsnijwerk, Levenstrap van de vrouw, Baltasar Talamantes, Spanje)

Negentiende eeuw

De negentiende eeuw is het hoogtepunt van deze genreschilderkunst. Er worden nog steeds serieuze versies gemaakt en er hangt in bijna elk huis of boerderij wel een levenstrap. Ze worden op grote schaal afgedrukt en verspreid. In deze periode wordt er ook gespeeld met het genre. Er komen grappige versies uit, zoals de vergankelijkheid van Napoleon in Napoleon’s lebenslauf.

afb. 11 Napoleons_Lebenslauf_-_Aufstieg_und_Fall

(1813, Napoleon’s lebenslauf, maker onbekend, Duitsland)

Maar er werd ook gewaarschuwd en tegelijk de spot gedreven met bepaalde groepen mensen, bijvoorbeeld de dronkaards, zoals te zien is in Nathaniel Currier’s Drunkard Progress.

afb.12 drunkard184627276888282_3fb087cd99_b

(1846, Drunkard Progress, Nathaniel Currier, Engeland)

Ook is er nu meer aandacht voor de mode en de verschillen per regio. Elke regio heeft zijn eigen stijl, zoals Finland, Amerika met Life and Age of Woman met onderin nog versjes die begeleidend zijn bij de plaatjes en de mooie Franse versie van een echtpaar, met Nederlandse en Franse tekst. Rond de Eerste Wereldoorlog werden de laatste levenstrapschilderijen nog verkocht, daarna werd het stil.

afb. 13 Finland 183126768061693_699a95e0e5_b

(1831, Steps of Life, G.O. Wasenius, Finland)

afb. 14 Life_and_age_of_woman1848

(1848, Life and Age of Woman, James Baillie, USA)

afb.15 echtpaarNLFRbegin19e eeuw27374600875_6a060569f0_b

(eind negentiende eeuw, Den Levensloop van den Mensch, uitgeverij Hurez uit Cambrai, Frankrijk)

Heden

Praten over ouder worden en het verval wat daarmee gepaard gaat, is niet iets wat wij graag doen in deze tijd. Ouderdom wordt het liefst gezien als een biomedisch probleem dat met anti-aging producten verholpen kan worden. Daar waar de mens in de 16e- tot 18e-eeuw continu omringd werd met de dood, wordt dat in onze huidige samenleving angstvallig vermeden. Toch laten ook huidige kunstenaars zich, vaak op ludieke wijze, inspireren tot een moderne levenstrap (al dan niet in opdracht). Zoals de Amerikaanse cartoonist Saul Steinberg (1914-1999) die over zichzelf zei: “I am a writer who draws”. Of de Zwitserse Anna Sommer (1968) die nog dit jaar een illustratie maakte van een moderne levenstrap voor de Zwitserse krant Tages Anzeiger.

afb. 16 saul.steinberg.lebenstreppe

(1954, Men Stages, Saul Steinberg, USA)

afb. 17 annasommerlevenstrap2018topelement

(2018, Lebenstreppe, Anna Sommer, Zwitserland)

Een heel genre is zo gewijd aan de levensontwikkeling van de mens. Waarom dit genre zo populair is geweest kan ik niet echt terugvinden, maar ik denk dat de mens altijd al behoefte heeft gehad om het moeilijk te aanvaarden fenomeen van vergankelijkheid te verklaren en misschien wel zo te verhelderen dat het beter te aanvaarden is of normaler wordt. Om een zinvol verband te leggen tussen het leven van de mens en de natuurlijke orde waar hij deel van uitmaakt.Voor mij voelt het in elk geval bijna als een troost dat generaties voor ons zich al bezighielden met de cyclus van geboorte, groei, volwassenheid en dood. In de kunsten is er natuurlijk altijd al aandacht geweest voor deze natuurlijke orde, maar dan meer als visualisering van het verdriet zelf, de dood op zich of de blijdschap en de pracht van het leven. Maar in de schilderijen van de levenstrap krijgt het iets overzichtelijks, iets feitelijks zelfs, waardoor het bijna zó normaal voelt dat je even vergeet dat er tijdens al die ronddraaiende levenscycli zoveel emoties en gebeurtenissen plaatsvinden, waar dan weer boeken over worden vol geschreven.

Hansje Cozijnsen, 27 augustus 2018


Informatie verkregen op de volgende websites:
wikipedia.org
wikipedia commons (afbeeldingen)
www.kwaad.net
Publicdomainreview.org
Artikel van R. Larry Overstreet 2009, “The Greek Concept of the “Seven Stages of Life and its New Testaments significance”, www.ibr-bbr.org, Bulletin for Biblical Research 19.4, 2009.
www.exmodels.de


Lees verder “De Levenstrap”

Overbehandeling van ouderen

Mijn vader wilde niet meer. Al heel lang niet meer. Vijftien jaar lang gaf hij elk jaar een klein beetje meer zelfstandigheid prijs. Niet meer kunnen lezen, niet meer kunnen schrijven, niet meer wandelen. Steeds weer ziek en weer medicijnen. Na het overlijden van de liefde van zijn leven was het voor hem helemaal genoeg. Na nog een hartaanval en een longontsteking wilde hij geen behandeling meer. De artsen zeiden dat hij nog wel op zou kunnen knappen als hij maar wilde eten. Maar hij wilde niets meer: niet meer eten, niet meer drinken, geen medicijnen meer. Uiteindelijk had ik er vrede mee en kon ik hem laten gaan op het moment dat hij dat wilde.

Wie bepaalt wanneer een leven nog de moeite waard is om geleefd te worden? Op 2 mei staat in het NRC Commentaar een reactie op een voorstel van onder andere GroenLinks en een aantal ziekenhuizen om een ‘kwetsbaarheids-screening’ te doen bij ouderen. Zo willen ze overbehandeling voorkomen en ervoor zorgen dat een oudere niet „eindeloos wordt geopereerd, er zwakker uit komt, nooit meer herstelt”, aldus een tweede Kamerlid van die partij. Een behandeling of operatie kan de situatie van een oudere verslechteren en ervoor zorgen dat hij/zij niet meer thuis kan wonen. Dat willen we niet, in dit land waar de politici vooral de zorgkosten willen terugdringen en marktwerking in de zorg het credo is, in plaats van goede zorg verlenen. Deze discussie over een waardig leven is niet in meetbare termen te voeren. Want wat is leefbaar? Wat moet je daar voor kunnen? Is zelfstandig wonen een criterium? Wat is kwetsbaarheid en hoe verhoudt zich dat met een waardig leven of een leven dat nog de moeite waard is voor degene die het leeft?

Mijn moeder zit in een rolstoel en is kortgeleden opgenomen in een verpleeghuis. Ze heeft een ver gevorderde vorm van de ziekte van Parkinson en is heel doof. Ze kan eigenlijk niets meer zelfstandig, ze moet met alles worden geholpen en ze kan door haar doofheid en door de Parkinson ook niet goed meer communiceren. Haar man kan de zorg niet meer aan. Maar toch geniet zij nog van kleine dingen en is het voor haar nog niet genoeg. Ze wilde laatst per se met ons uit eten, al moet ze gevoerd worden en kan ze al het voedsel niet goed meer zelf wegwerken. Voor ons was het heel vermoeiend, maar zij gaf er duidelijk blijk van hoe fijn ze het vond. En of ze nou genoot van het moment zelf, inclusief haar handicaps, of dat ze meer genoot van het idee en de herinnering aan hoe gezellig het is om uit eten te gaan weet ik niet, maar eigenlijk doet dat niet ter zake: voor haar is dit de waarde van het leven op dit moment.

Terwijl mijn vader, met wat moeite, zelfstandig kon eten, nog redelijk goed kon communiceren en uiteindelijk misschien na een tijdje weer met zijn karretje eropuit had kunnen gaan, was voor hem het leven klaar. Met zijn moeheid, zijn zwakke hart en de steeds terugkerende medische problemen, maar vooral door het verlies van zijn partner was voor hem het leven niet meer de moeite waard.

Ik vond dat heel verdrietig en soms maakte het me ook boos, want ik wilde nog wel wat langer contact met hem. Maar uiteindelijk vond ik het vooral volledig zijn recht om deze keuze te maken. Het maakt wel duidelijk hoe moeilijk deze discussie over behandeling bij ouderen is. Je kan niet voor een ander uitmaken wanneer het leven de moeite nog waard is. Daar zijn geen neutrale meetinstrumenten voor. Daarnaast is het ook moeilijk om je in te leven in een ander die voor zo’n beslissing staat. Als buitenstaander sta je er altijd anders in en spelen er ook altijd andere motieven mee. Bijvoorbeeld als het je ouder is: hoe kijk je dan aan tegen het zorg of steun verlenen aan die ouder mocht die hulpbehoevender worden? Hoe is je relatie met je ouder? Wat wil je nog in je relatie met die vader of moeder? En als het een neutrale ander is: wat zijn je eigen ideeën over het waardig oud worden? Die ideeën worden namelijk ook altijd gekleurd door waar je nu zelf staat in je leven en wat je nu kunt en heel gewoon vindt. Jezelf dan voorstellen dat je bepaalde dingen niet meer kunt, lijkt dan een nachtmerrie en je neemt je stellig voor: zo wil ik niet oud worden. Dat kan dan snel een argument worden dat je dat ook voor een ander niet wil. Maar als je ouder wordt en je geleidelijk steeds iets minder kunt, dan verschuiven die eisen aan wat je nog minimaal moet kunnen voor een waardig leven. Je went ook aan een andere manier van leven, dat merkte ik toen ik zelf een paar jaar een rolstoel moest gebruiken en niet wist of ik daar nog uit zou komen. Een mens is best flexibel in dat opzicht, al heeft het soms wat tijd nodig. Bovendien is het alternatief, in het ergste geval de dood, iets wat je vanuit je heel basale wil om te leven ook het liefst altijd voor je uitschuift. Dat is de toekomst, dat wat ooit moet komen, dat weten we allemaal, maar het is niet hier en nu. Zo voelt het, denk ik, of je nou 30, 50 of 80 bent. Totdat je, zoals mijn vader, al jarenlang steeds kleine beetjes inlevert en je niet meer de persoon bent die je wilt zijn, omdat dat niet meer kan. En dan is het op een dag, als alles bij elkaar komt, genoeg geweest.

Voor iedereen komt dat op een ander moment. Soms lijkt het alsof iemand te snel bij dat punt komt, een andere keer vraag je je af hoe iemand het nog steeds de moeite waard kan vinden. Dat geeft alleen maar aan dat dit, in essentie, een uiterst individuele keuze is waar medici, politici, noch naasten zich mee mogen of kunnen bemoeien.

Rest ons om onze zaakjes goed te regelen en het met onze naasten te bespreken: wat wil je, hoe wil je het? Evalueer dat om de zoveel tijd, want wensen kunnen veranderen. Praat erover en leg het vast, want als het zover is dat er een keuze moet worden gemaakt, is het voor je naasten zo belangrijk dat helder is wat jij had gewild!

Hansje Cozijnsen, 4 mei 2018

Barmhartigheid, de Bergrede en Bach

In het NRC van dit weekend staat een prachtig stuk van Bas Heijne over de boodschap van de Bergrede in deze tijd.

En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan?

Mattheus: 5:46-47

Dat sprak mij meteen al aan. De morele superioriteit die de laatste tijd vaak de kop op steekt, ook bij mij, wordt in dit artikel duidelijk en toch vriendelijk aan de kaak gesteld. Ik voelde me aangesproken over hoe ik mensen benader, en dan vooral diegenen die niet tot mijn sociale kring behoren. Het stuk gaat over durven staan voor dat waar je in gelooft, uit je comfortzone durven stappen en het moeilijke opzoeken, omdat je juist dan zulke belangrijke dingen kan leren. Het artikel van Bas Heijne kan je hier vinden.

Daarna las ik een ander artikel waarin de schrijver Frank van Massenhove citeerde uit een lied van Bach.
Sei bemüht in dieser Zeit,
Seele, reichlich auszustreuen,
Soll die Ernte dich erfreuen
In der reichen Ewigkeit,
Wo, wer Gutes ausgesäet,
Fröhlich nach den Garben gehet

Hier de link naar de muziek van Bach, gezongen door Nathalie Stutzman.

Op de een of andere manier heb ik het gevoel dat deze twee aan elkaar gelinkt zijn, al kan ik nog niet goed verwoorden waarom. Het heeft iets te maken met barmhartig zijn, liefdevol, ruimhartig. Maar ook met je durven verbinden met de wereld om je heen en durven staan voor wat je voelt en juist acht. En soms misschien niet gaan voor je eigen gelijk, maar voor de verbinding met de ander(en). En hoe blijf je dan toch trouw aan jezelf en aan je eigen waarden en normen? Wanneer is het tijd om op de barricade te gaan staan, het gevecht aan te gaan en wanneer is het juist beter om liefdevol en ruimhartig te zijn en om te proberen te verbinden?

Deze laatste weken stonden voor mij in het teken van afscheid nemen van mijn vader, waar ik nog wel eens wat meer over ga schrijven, maar voor nu alleen dit. Deze tijd van afscheid nemen is ook een tijd van reflectie, op dat wat was en hoe het nu is, wat ik heb afgerond en hoe dat is gegaan. Dit artikel en deze muziek passen daarbij en bij de vragen waar we in deze tijd naar mijn idee voor staan.

Wat kun je doen bij intimidatie op straat?

Ik was gisteren bij een workshop van de organisatie Hollaback, over intimidatie op straat en wat je als omstander kunt doen. De workshop zelf was wat kort en ik miste vooral een rollenspel waarbij je die interventie zou kunnen oefenen. In de workshop ging het vooral over het delen van ervaringen, terwijl ik juist op zoek ben naar praktische tips. Gelukkig kregen we op het einde deze folder in handen die ik graag met jullie wil delen. De voorzijde gaat over redenen waarom je niet zou durven of willen ingrijpen.

Dat kan wat helderheid geven over je eigen beweegredenen. Belangrijker vind ik echter de achterkant met tips over wat je kan doen als omstander wanneer je geconfronteerd wordt met intimidatie of geweld op straat. Let vooral op je eigen veiligheid en kijk welke tip het beste bij de situatie en bij jouw karakter past.

De folder is verre van compleet, je kan bijvoorbeeld ook andere mensen direct aanspreken en vragen om samen met jou te ageren. Maar dit is in ieder geval een begin. Een manier om je bewust te worden van je eigen beweegredenen en een manier om jezelf en anderen wat praktische tips te geven om te durven ageren als er iets gebeurt. Misschien komt het van pas! Heb jij nog tips? Laat je reactie achter!

Wens of obsessie?

Determination becomes obsession and then it becomes all that matters (Jeremy Irvine)

In mijn zoektocht naar het kijken van oude TV programma’s op internet stuit ik op de schier eindeloze mogelijkheden van online televisie kijken. Een ongekende wereld openbaart zich aan mij. Ik zit eindeloos te klikken en te proberen. Met mijn werkcomputer heb ik een makkelijke aansluiting met de televisie, een HDMI kabel is genoeg. Maar dan komt het: ik wil mijn werkcomputer hier niet voor gebruiken. Ik probeer een Android Tvbox, maar nee, dat is niets. Dan bedenk ik dat ik nog wel een klein computertje over heb, maar die heeft geen HDMI. Mijn zoektocht gaat verder: hoe krijg ik mijn oude computertje aangesloten op mijn televisie? Er zijn allerlei mogelijkheden en ik denk dat ik het gevonden heb, maar nee, dat werkt niet en het kabeltje gaat retour. Verder zoeken dus.

Zodra ik wakker word, verlang ik naar het moment dat ik verder kan gaan zoeken naar de oplossing. Als ik thuis kom, zet ik een pot thee en installeer me daarna meteen achter mijn computer. Ik zit te surfen tot ik een ons weeg. De poezen lopen af en toe over mijn toetsenbord, maar na een snelle knuffel ga ik weer door. Ik eet steeds later en ook mijn avonden worden gevuld met zoeken naar het ei van Columbus. Ik lees over verschillende omvormers, verschillende USB soorten en voordat ik dan een beetje snap hoe het werkt, ben ik zo weer een paar uur verder. Het blijft me intrigeren en ik kan het niet loslaten.

Op een ochtend merk ik dat ik al twee nachten slecht heb geslapen, veel heb gedroomd en het gevoel heb niet echt meer tot rust te kunnen komen. Ik ben steeds opgefokt en dat voelt heel onprettig. En waar hebben we het nou helemaal over? Als dit lukt, kan ik mijn televisie abonnement opzeggen en dat scheelt me 30 euro per maand. Dat is mooi, maar is het dit waard? En bovendien: wat weerhoudt me ervan om het wat langzamer te doen allemaal? Een uurtje per dag ermee bezig zijn is ook genoeg, toch?

Maar het lukt me niet. Iets in mij kan niet stoppen. Een onrust in mijn lichaam en geest maakt dat ik de computer niet uit kan zetten. Mijn gedachten draaien overuren: nog even dit, nog even dat, zou het niet zo kunnen? Ik kan pas tot rust komen en het loslaten als het werkt. Ik heb het nu aan de praat gekregen en nu kom ik weer toe aan schrijven, speel ik weer met de poezen en geniet ik weer echt van mijn koffie. Wanneer gaat een wens over in een obsessie?

An obsession is where something will not leave your mind (Eric Clapton)

Een obsessie is een idee wat in je hoofd zit en wat er niet meer uit gaat. Nou kan dat ziekelijke vormen aannemen, maar daar waag ik me niet aan. Ik heb het over de dagelijkse obsessies die ook weer overgaan. Tijdelijke obsessies zeg maar, een huis-tuin-en-keuken obsessie. Een wens alleen maakt het nog geen obsessie. Maar als de wens laten uitkomen zo belangrijk wordt dat je het móet bereiken, wat het dan ook is, dan kan je gaan spreken van een obsessie. Het moet lukken en je kan het niet loslaten voordat het klaar is. Sommigen gaan daar verder in dan anderen. Zo zou voor mij de grens zijn bereikt als ik een nieuwe computer had moeten kopen, dat had ik er niet voor over gehad. Maar er twee weken in mijn vrije tijd mee bezig zijn om het te laten slagen, ja dat had ik er wel voor over.

Soms heb je wensen waarvan je al weet dat ze niet haalbaar zijn, bijvoorbeeld een heel groot huis kopen, met een woonkeuken en een kookeiland daarin. Daar zal ik me niet speciaal voor gaan inspannen. Dat komt, of komt niet op mijn pad. Mijn realiteitszin is voldoende ontwikkeld en waarschijnlijk vind ik het ook eigenlijk niet belangrijk genoeg. Maar iets wat binnen mijn mogelijkheden ligt en waar alleen een technische of praktische oplossing voor moet worden gevonden, ja dat grijpt mij bij de kladden en maakt dat het van een wens een obsessie wordt. Het zal me lukken! Ik wil snappen hoe iets in elkaar zit en het aan de praat krijgen.

Eerlijk gezegd denk ik dat dat een goede eigenschap is. Bovendien is het heel fijn om ergens zo voor te willen gaan. Ik herinner me nog te goed mijn periode van depressie, toen ik me nergens meer mee kon verbinden en geen enkel gevoel van nieuwsgierigheid of interesse voor iets kon opbrengen. Wat dat betreft vind ik deze ervaring heel prettig, eindelijk wil ik weer echt ergens voor gaan. Ik leer er ook nog eens veel van en ik krijg het voor elkaar! John Waters zei: Without obsession life is nothing. Als dat zo is, waarom heeft het dan een negatieve connotatie?

Het is goed om bevlogen te zijn, maar als mensen obsessief met iets bezig zijn, worden ze vaak aangesproken op hun obsessieve gedrag als was het uitsluitend iets negatiefs. Meestal worden ze door anderen tot de orde geroepen. In mijn geval was ik het zelf die er last van begon te krijgen. Ik was chagrijnig en zo gepreoccupeerd dat ik minder ruimte had voor andere dingen. Ik realiseerde me dat het eigenlijk helemaal niet zo plezierig is als ik zo geobsedeerd raak. Het voelde niet goed meer. Maar toch had ik dat er een tijdje voor over, omdat ik het nou eenmaal wilde oplossen.

Ik kan me voorstellen dat het voor anderen heel irritant kan zijn als iemand zo obsessief met iets bezig is. Het is veel moeilijker om echt verbinding te krijgen met de ander. Dat kan heel eenzaam voelen en snel leiden tot ergernis. Je bent als buitenstaander ook geen deel van datgene waar de ander zo veel mee bezig is. Als je samen intensief met iets bezig bent, zal het alweer heel anders voelen. Ook kan obsessief gedrag echt problemen veroorzaken. Je kan ziek worden als je niet meer voor jezelf zorgt, al zal dat zo’n vaart niet lopen met zulke kleine obsessies. Ik merkte in elk geval dat ik mezelf op een gegeven moment ben gaan dwingen om een pauze te nemen, weer even al mijn aandacht op iets anders te richten. Op het koken bijvoorbeeld, met muziek op de achtergrond, of door even rustig te gaan lopen of echt de tijd te nemen om te genieten van mijn koffie. Maar ik moest daar moeite voor doen, terwijl het nu, nu het voor elkaar is, me geen enkele moeite meer kost.

Nu het over is realiseer ik me ook dat ik wel vaker iets wil, bijvoorbeeld een stuk schrijven. Maar daar ben ik dan niet obsessief in. Ik neem er de tijd voor, bereid het eerst voor, lees het een paar keer over, herschrijf dingen. Dus ik heb het niet bij alles wat ik wil. Obsessief wordt het vooral wanneer er iets geregeld moet worden via de computer of telefoon. Een probleem of wens wat met een technische ingreep of een softwareprogramma is op te lossen. Ik heb inmiddels geleerd dat schrijven tijd kost en dat het moet rijpen. Dat gevoel heb ik nog niet bij computerproblemen. Dat moet meteen worden opgelost. Ook lekkages, kapotte wekkers of andere praktische onderwerpen horen daarbij. In werk heb ik het trouwens ook, als er iets af moet, ook al ben ik de enige die vind dat het af moet. Maar ik kan me voorstellen dat dat voor iedereen weer anders is. Maar is obsessie een probleem?

Obsessie leidt vaak ook tot iets goeds. Als onderzoekers niet geobsedeerd waren door een onderwerp zouden veel ontdekkingen niet zijn gedaan. Bedrijven zouden niet groot zijn geworden, we zouden niet zo zijn geëvolueerd als nu het geval is. Zoals zo vaak in het leven gaat het waarschijnlijk weer om balans. Mensen kunnen tenslotte de voeling met het echte leven verliezen, als ze teveel opgaan in hun obsessie. Ze verliezen hun gezondheid, hun partner, hun kinderen en vrienden. Dat gaat te ver, daar zijn we het allemaal wel over eens. Virginia Woolf zegt in haar roman Orlando: All extremes of feeling are allied with madness. Te ver gaan in obsessie; werk, liefde, verdriet, boosheid, leidt naar gekte en destructie. Maar het is ook menselijk om soms obsessief met iets bezig te zijn. Het niet (mogen) toegeven daaraan zou heel onnatuurlijk zijn en uiteindelijk tot veel onvrede kunnen leiden of zelfs tot depressie. Dus het enige wat erop zit is om er een evenwicht in te vinden. Je af en toe laten meeslepen en te lang doorgaan, omdat je het af wilt hebben of wilt hebben opgelost, is helemaal niet verkeerd. Laat het toe, maar zeg af en toe ook stop, neem een middag vrij, ga wat leuks doen met je geliefde(n), ga even uitgebreid koken of een wandeling maken. En geef jezelf daarna weer de ruimte om je mee te laten voeren op je gedachtestromen. Blijf zoeken en oplossingen bedenken, want het brengt je altijd weer verder dan je van te voren had durven denken. Bovendien geeft het je het gevoel dat je leeft en is het heerlijk om je zo te willen en kunnen verdiepen in iets. Al is het maar een technische oplossing waarmee je dertig euro per maand uitspaart. Alle kleine beetjes helpen!

Hansje Cozijnsen 25 februari 2018

Gert’s geheim

Vrijdagochtend, UVA, Amsterdam

In het kamertje aan het einde van de gang rinkelt de telefoon. Gert Nevelen, archeoloog, aarzelt een ogenblik voor hij besluit de telefoon op te nemen.

‘Nevelen.’

Hij luistert, bromt af en toe instemmend.

‘Waar?’

Degene aan de andere kant van de lijn doet er lang over om zijn verhaal te vertellen, maar uiteindelijk: ‘Weet je het zeker?’

Stilte.

‘Heb je het aan iemand anders verteld?’

Hij pakt een pen en maakt aantekeningen.

‘Ja, ik weet waar dat is…. Nee, geen woord…. Ja, dank je…. Oké….. Ja, tot ziens.’

Zijn ademhaling gaat langzaam sneller. Dit is mijn kans, denkt hij, eindelijk, ik wist dat dit moment zou komen. Nu moet ik zorgen dat ik geen fouten maak.

Hij rommelt wat in zijn lades, pakt zijn autosleutels en papieren en uit de kast achter zich grijpt hij snel een grote zaklantaarn. Samen met een flesje water, dat hij nog op zijn bureau heeft staan, stopt hij alles in zijn rugzak. Hij zwaait zijn jas over zijn schouder en sluit zijn kamerdeur zorgvuldig af.

‘Gert!’

Oh nee, niet Henk, niet nu, denkt hij. Maar de gangen zijn smal en hij zal langs hem moeten voor hij bij de lift kan komen.

‘Henk’

Hij knikt beleefd.

‘Ga je al op huis aan? Vroege dag vandaag?’ vraagt Henk glimlachend.

Gert kan hem wel wat. De joviale schoft, altijd hetzelfde liedje, denkt hij, maar nu kan ik hem eens laten zien wie de betere archeoloog is! Als mijn tip klopt kan ik maandag de nieuwe ontdekking gaan uitwerken. Maar nu, geen woord daarover.

‘Inderdaad Henk, ik ga ervandoor. Fijn weekend!’

Verbaasd kijkt Henk hem na. Hij vraagt zich af of het bestuur Gert al heeft ingelicht over de bezuinigingen en de consequenties daarvan voor zijn baan. Bedenkelijk schudt hij zijn hoofd, haalt zijn schouders op en loopt naar zijn kamer.

Na twee uur rijden is Bert bijna in België. Het is druk op de weg, maar dat heeft hij er wel voor over. Bovendien geeft het hem tijd om zijn gedachten te ordenen. Hij heeft zo lang op dit bericht gewacht. Het begon allemaal twee jaar geleden. Gert werkte toen al een hele tijd op de universiteit, maar had al lang geen eigen artikel meer gepubliceerd. Henk, zijn collega , jonger dan hij en later begonnen, had er inmiddels al een aantal op zijn naam staan. Het bestuur had Gert duidelijk gemaakt dat, als hij niet snel ook iets zou publiceren, zijn functie wel eens in gevaar zou kunnen komen. Na dat gesprek wist hij dat hij met iets nieuws moest komen. Maar Gert was voorzichtig. Heel voorzichtig. Niemand wist ooit waar hij mee bezig was en dat wilde hij ook graag zou houden. Sterker nog: het was hem met de paplepel ingegoten. Het eerste wat zijn ouders hem leerde was: vertrouw niemand. Hij vond dat een zeer wijze les en was er zijn ouders nog altijd dankbaar voor. Hij had het tijdens zijn studie archeologie en zijn onderzoeken daarna maar al te vaak gezien: uit enthousiasme deelden beginnende archeologen hun ontdekkingen met iedereen en dan was er altijd wel iemand die er dan met het idee vandoor ging. Henk was ook zo’n type. Gert had het nooit kunnen bewijzen, maar hij was ervan overtuigd dat Henk het merendeel van de informatie voor zijn “interessante” artikelen gestolen had, of intellectueel geleend, het was maar net hoe je het wilde noemen. Nou, dat zou Gert niet overkomen. Niemand wist waar hij mee bezig was, hij had geen vrouw, geen kinderen, geen vrienden. Hij leefde voor zijn werk en zijn goede naam.

De laatste twee jaar was hij gaan zoeken naar iets nieuws en al snel zat hij op een interessant spoor: onontdekte grottekeningen in België. Die moesten er zijn, hij was er zeker van. Al stond in de vakliteratuur dat de kansen erop miniem waren, voor Gert was dat een reden te meer om er zijn tanden in te zetten. Ettelijke weekenden had hij in België doorgebracht. Hij had zijn oor te luisteren gelegd in plaatselijke cafés. Op zijn vrije dagen had hij boeken doorgespit en het internet uitgeplozen. En eindelijk heeft hij dan nu een bruikbare tip ontvangen. Een van zijn contacten heeft net gehoord dat er misschien in Bellevue iets te vinden is. Natuurlijk is de tip vaag, maar zo heeft Gert het ook gepland. De tipgever weet niet precies wat Gert zoekt. Iedereen die hij de afgelopen jaren had benaderd, had hij iets anders verteld. Zo kan namelijk niemand later herleiden dat zij degene waren die hem op het spoor hadden gezet en kunnen ze dus ook geen beloning vragen.

Gert is trots op zichzelf. Dit wordt zijn succesartikel. Als hij inderdaad iets kan vinden in deze grot is zijn toekomst verzekerd.

Zaterdagochtend, omgeving Bellevue, België

Vanuit het hotel is het een klein uurtje rijden naar de grot. Er is dichterbij natuurlijk ook een hotel, maar dan zou iemand hem kunnen volgen en Gert wil er zeker van zijn dat niemand weet waar hij heen gaat. Hij parkeert de auto aan de andere kant van de heuvel, waardoor hij nog drie uur moet lopen. Geconcentreerd buigt hij zich telkens over de wandelkaart om zich niet in de weg te vergissen. De grot ligt een eindje van het reguliere pad, de rotsen zijn voor een groot deel bedekt met mos, de bomen staan dicht opeen. Al snel vindt hij de ingang. Hij doet zijn zaklamp aan en schijnt ermee in het rond. De grot loopt door naar achteren, verder dan de straal van zijn lamp kan schijnen, dus hij begint te lopen. Ondertussen zorgt hij ervoor dat hij regelmatig even stilstaat en goed met de lamp om zich heen schijnt zodat hij niets mist. Naast het looppad liggen kleine uitgesleten paadjes waar ooit water heeft gestroomd. Hoe dieper hij de grot inloopt, hoe breder en dieper die beddingen worden, tot het pad uiteindelijk langs een steile helling loopt. Hij begint zich zorgen te maken. De grot is veel groter dan hij dacht en hij is bang dat de tip misschien toch niet klopt. In zijn ongeduld gaat hij steeds sneller lopen. Het pad wordt steeds moeilijker begaanbaar, hij struikelt regelmatig over de losse stenen en bezeert zijn enkel. Vloekend hijst hij zichzelf telkens weer overeind en volgt vastberaden zijn weg. Ze zullen hem niet kleinkrijgen, hij moet en zal die tekening vinden, dit is zijn kans, zijn moment! Hij herhaalt dit zachtjes voor zichzelf en bij elk woord wordt zijn stem luider en zijn pas sneller. Hij moet en zal!

Dan glijdt zijn voet uit op het pad, hij voelt hem wegschuiven en probeert met zijn handen zijn val te breken, maar voelt geen vaste ondergrond. De lamp valt uit zijn handen en hij glijdt met zijn hele lichaam van het pad het donker in. Na wat een eeuwigheid lijkt komt hij met een smak tot stilstand. Zijn lichaam klapt als een zoutzak tegen een opstaande rots en de lucht wordt uit zijn longen geperst. Zodra hij weer een beetje adem kan halen probeert hij op te staan, maar zijn rechterbeen doet ondraaglijke pijn en bij elke ademtocht vergaat hij van de pijn in zijn ribben. Hij probeert te onderscheiden waar hij ligt, maar het is te donker. Met zijn hand probeert hij te voelen hoe zijn directe omgeving erbij ligt. Hij ligt op zijn rug tegen een koude stenen rand. Hij voelt met zijn vingers achter zich….niets. Lucht, geen bodem te ontdekken. Voor zich voelt hij een gladde, steile rotswand en hij voelt hoe zijn voeten in het luchtledige hangen. Boven zijn hoofd voelt hij met zijn vingers wel steen en hij strekt zich uit, de pijn in zijn ribben negerend, maar na een centimeter of tien voelt hij ook daar alleen nog een scherpe rand en verder niets meer.

Hij begint in paniek te raken. Hij kan zich niet bewegen van de pijn en om hem heen is niets om zich aan vast te houden of zich aan op te trekken. Hoe moet hij hier in godsnaam uitkomen? Hij begint te roepen, maar begrijpt al snel dat dat geen enkele zin heeft. Kan hij dit twee dagen volhouden? Ze zullen hem toch vast vanaf maandag wel gaan zoeken, als hij niet op zijn werk verschijnt. Twee dagen lijken nu eindeloos, maar hij kan dat wel redden. Langzaam gaat de paniek liggen. Hij voelt zich duizelig worden. Net voor hij flauw valt, realiseert hij zich ineens dat hij niemand heeft verteld waar hij heen zou gaan. Niemand weet waar hij is! De angst doet zijn lichaam schokken voordat hij uiteindelijk het bewustzijn verliest.

Hansje Cozijnsen maart 2011.

Grenzen

Mijn gezicht wordt warm, ik voel mijn adem in mijn keel pulseren, mijn buik krampt samen. Ik voel een plotselinge, heftige chagrijnigheid opkomen. Het knellende gevoel in mijn borst maakt me benauwd en ik heb een sterke behoefte om weg te lopen of om te gaan schelden. Er is in mij een grens overschreden en mijn lichaam en geest reageren direct.

Inmiddels herken ik de signalen en ga ik niet meer, zoals vroeger, mee in die hoge ademhaling of in de neiging om weg te lopen. Ik ga ook niet meer mee in de angstgedachten: wat doe ik fout? Wat gebeurt er met me? Ik weet wat er gebeurt en wat ik moet doen. Iets of iemand gaat over mijn grens en ik moet er achter komen wat of wie dat is en er iets aan doen. Ik moet me uitspreken, een grens aangeven, even weggaan uit de situatie en weer op mijn adem letten.

Om mij heen hoor ik veel mensen klagen over overwerktheid, gespannenheid en burn-out. Ik ken het zelf ook. Je werkt te hard, er wordt teveel van je gevraagd of je moet samenwerken met mensen waarmee je niet goed kan communiceren en die je het gevoel geven dat je het niet goed doet. Vaak is een constante grensoverschrijding door jezelf of door anderen de oorzaak van deze klachten. Als je de lichamelijke en geestelijke reacties of signalen niet (her)kent en je gaat er consequent overheen of je laat er overheen gaan zonder dat je er iets van zegt, dan word je uiteindelijk ziek. Maar wat betekent het woord “grenzen” eigenlijk? Wat zijn grenzen, wat geven ze aan? Hoe kan je je eigen grenzen leren kennen? Hoe hanteer je je grenzen zonder rigide te raken? Hoe geef je grenzen aan zonder te kwetsen of jezelf als slachtoffer neer te zetten?

Het woord ‘grens’ komt uit het Middelhoog Duits grenize of graniza, wat weer uit het Pools komt granica en kwam naar het westen in de 15e eeuw. In het Nederlands werd het grens1. Een grens is alles waarmee je een afbakening aangeeft. Tot hier en niet verder. Letterlijk: de grens is bereikt. Het woord kan staan voor letterlijke grenzen, zoals landsgrenzen (vastgelegd in verdragen), natuurlijke grenzen (zoals een zee of berg), administratieve grenzen (vastgelegd in wetten en regels) en taalgrenzen. De grenzen waar ik het over heb, zijn grenzen in de figuurlijke vorm, een term voor het aangeven van (psychologische) limieten.

Psychologische grenzen definiëren de ruimte die je nodig hebt voor je persoonlijke waardigheid. Elk wezen heeft een eigen territorium nodig, een eigen plek om te ademen en te leven, dus de mens ook. In die eigen plek heb je ook een bepaalde mate van energie nodig om je goed te voelen en zit er ook een limiet aan de hoeveelheid stress die je kan hanteren. Ook heb je lichamelijke grenzen in wat je aankan qua belasting en uithoudingsvermogen. Die persoonlijke ruimte en waardigheid is een primaire behoefte waar je gehoor aan mag geven. Sterker nog, voor een gezond leven moet je daar gehoor aan geven. Als we zeggen dat je een grens bent overgegaan, betekent dat dat je een psychologische afbakening bent overgegaan die het verschil betekent tussen gedrag dat geen emotionele schade berokkent en gedrag dat wel emotionele schade berokkent. In het overschrijden van je grens, of het door anderen laten overschrijden van je grens, berokken je jezelf emotioneel letsel. Je doet jezelf pijn, of je laat toe dat een ander je pijn doet2.

In onze kindertijd leren we al een aantal psychologische verdedigingsmechanismen om die ruimte te beschermen, maar die zijn niet altijd even functioneel en handig. Grenzen aangeven daarentegen is een bewuste en gezonde manier om onszelf te beschermen tegen emotionele schade. Toch zijn er veel mensen die hun grenzen niet kennen en/of niet aan kunnen geven. Vaak ligt psychische schade uit de jeugd daaraan ten grondslag. Dat kan bestaan uit vormen van zwaar misbruik, lichamelijk of seksueel, maar er zijn ook lichtere vormen. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van psychische schade doordat je als kind geleerd hebt dat het onbeschoft zou zijn om je grenzen aan te geven of er is vroeger op geen enkele manier rekening gehouden met jouw grenzen. Maar ook in onze samenleving is het vaak moeilijk je grenzen aan te geven, omdat dat vaak op weerstand stuit. In deze snelle tijd waar je zelf verantwoordelijk wordt gehouden voor je geluk, zal je niet snel aan je baas durven zeggen dat iets je eigenlijk te veel is, of dat een taak in je werk je te veel stress oplevert. Omdat alles zogenaamd mogelijk moet zijn, wordt er geen rekening gehouden met je lichamelijke en psychologische plafond. Ieder mens is tenslotte anders, ook in zijn of haar beperkingen. Ben je misschien helemaal niet zo ambitieus als je dacht, maar vind je dat je dat toch moet zijn en doe je daar van alles voor waarmee je eigenlijk over je grenzen gaat? Of ben je snel moe, maar wil je daar niet aan toegeven omdat je niets wilt missen in het leven en ben je bang dat je erop afgerekend zal worden? Soms is iemand gewoon onvoldoende stressbestendig, maar heeft het openlijk daarvoor uitkomen nadelige consequenties in werk en privéleven, dus stopt diegene dat weg.

Er zijn dus genoeg grenzen om te ontdekken, maar hoe doe je dat en wanneer doe je dat? In het beste geval leren kinderen dat spelenderwijs en worden ze opgevoed met veel ruimte voor het herkennen en voelen van hun grenzen en hoe je ze op een gezonde manier afbakent. Maar voor velen is de praktijk helaas anders. Zij worden vaak op een zeer hardhandige manier geconfronteerd met hun grenzen. Ze worden ziek, lichamelijk of geestelijk, of allebei. En dan duurt het, is mijn ervaring tenminste, soms nog een tijd voor je wilt toegeven dat die ziekte of overspannenheid verband houdt met je grenzen. Dat het nodig is dat je zelf iets moet veranderen aan je gedrag of aan de dingen die je doet en hoe je ze doet. In eerste instantie ligt de nadruk op de kwaal of op het werk. Maar je zal ongetwijfeld op een bepaald moment door iemand worden aangesproken met de vraag: geef je je grenzen wel aan? Voor mij was dat een vraag waar ik nog niet eerder over had nagedacht. Hoezo? Wat zijn dat ‘grenzen’? Heb ik die dan? Zo begon mijn zoektocht naar mijn grenzen.

Vaak vragen en krijgen mensen hulp bij deze zoektocht, bijvoorbeeld in de vorm van gesprekstherapie of lichaamsgerichte therapie. Ik heb het allebei gedaan en die combinatie was voor mij heel goed. De lichaamsgerichte therapie (haptotherapie) bracht me naar mijn lichaam en wat je daar allemaal kan ervaren. Het werd me langzaam duidelijk dat mijn lichaam eigenlijk hele goede signalen gaf wanneer iets me te veel werd. Ik kreeg het ineens heel warm, of ik kreeg buikpijn. Maar het moeilijke voor mij was om het te erkennen en, nog moeilijker, om ernaar te luisteren en ernaar te handelen. Zo ontdekte ik steeds meer signalen die mijn lichaam mij gaf en wat ze betekenden.

De gesprekstherapie gaf me inzicht in hoe het vroeger thuis ging, wat ik wel en niet geleerd heb en – heel belangrijk – hoe ik het nu alsnog kan leren. Ook leerde ik signalen herkennen in mijn gedachten die aangaven dat ik over een grens ging, bijvoorbeeld dat ik ineens chagrijnig werd of angstgedachten kreeg. Ik ontdekte dat er psychische en lichamelijke grenzen zijn en dat die allebei belangrijk zijn om te onderkennen en zorg voor te dragen.

Als je de signalen voelt in je lijf, betekent dat dat iets wat je gaat doen of iets wat er van je gevraagd wordt op dat moment niet goed is. Of de manier waarop iemand je benadert of iets tegen je zegt klopt voor jou niet. Dan is het belangrijk om dat gevoel serieus te nemen en de tijd te nemen om te kijken naar wat je signalen je willen zeggen. Dus vraag bedenktijd en onderzoek eerst bij jezelf wat er speelt: is het te veel, met de verkeerde persoon of op het verkeerde moment? Zo ontdek je je eigen grenzen. Dat tijd nemen is wel heel lastig in deze snelle maatschappij, maar is essentieel in mijn ervaring. Het voelt heel gek om te doen, maar je kan veel betere en doordachtere keuzes maken. Als je dan voelt dat je iets eigenlijk niet wilt, dan mag je dus de keuze maken om het niet te doen. Ook dat voelt in het begin heel raar. Ik moest van mezelf vooral sterk zijn en ik was bang om afgewezen te worden als ik mijn grenzen zou aangeven. Maar dat gebeurde niet. Sterker nog, mensen vonden het prettig als ik mijn grenzen aangaf, dan wisten ze tenminste precies waar ze aan toe waren. Soms kan je er natuurlijk niet onderuit om iets toch te doen, maar dan weet je in elk geval waar je tegenop ziet en kan je misschien iets bedenken om je te helpen, zodat het makkelijker gaat of dat je jezelf achteraf beloont.

Grenzen ontdekken is één ding, een volgende is: je grenzen accepteren en je grens trekken. Soms voel je in je lijf een grens, bijvoorbeeld moeheid, op een moment dat je daar helemaal geen zin in hebt. Het is veel te leuk wat je doet, of je wilt niet onderdoen voor een ander. Vaak ga je dan toch door met alle gevolgen van dien. Het kostte mij verschillende jaren om mijn grenzen te ontdekken en te accepteren. Ik ging door periodes van rouw heen, omdat mijn lichaam niet aankon wat ik allemaal wilde. Of omdat mijn emoties tijd nodig hadden om neer te dalen en ik dus rustmomenten voor mezelf moest inbouwen.

Daarnaast liep ik nog tegen iets anders aan. In het begin was ik zo gespitst op wat ik allemaal voelde, dat ik al van tevoren grenzen ging inbouwen. Aan het begin van de avond zei ik al dat ik waarschijnlijk snel moe zou zijn en naar huis zou gaan. Ik werd rigide in het stellen van mijn grenzen. Ik ging mezelf als het ware indekken voor het geval dat ik te moe zou worden. Het duurde een tijd voor ik door had dat ik mezelf daar niet mee beschermde, maar dat ik mezelf een alibi probeerde te verschaffen om maar niet afgerekend te worden op het aangeven van een grens. Als ik het van tevoren al zou aangeven, dacht ik, zou niemand boos of teleurgesteld raken. Maar zo maakte ik mezelf slachtoffer van mijn eigen beperkingen. Wat zou er gebeuren als ik gewoon open de avond in zou gaan? In het begin voelde ik dan angst om te moe te worden, maar ik merkte al snel dat ik soms meer kon dan ik dacht en dat de rampscenario’s in mijn hoofd geen werkelijkheid werden. Toen ik eenmaal doorhad dat ik mezelf met die rigide opstelling beperkte in de dingen die ik eigenlijk leuk vond en mezelf de kans ontzegde om grenzen te verleggen en te groeien, ben ik het anders gaan doen.

Grenzen zijn niet eenduidig. Psychische of lichamelijke grenzen zijn niet zo duidelijk als landsgrenzen; ze staan niet in wetten of verdragen en ze kunnen per dag verschillen. De ene keer kan je meer dan de andere keer en soms heb je het er ook gewoon voor over om over je grenzen te gaan. Dan is de prijs die je er later voor betaald het waard. En zo leer je langzaam spelen met grenzen. Je gaat er eens over heen en dan weer niet en je leert wat je wel en niet kan doen. Grenzen leren voelen en ernaar handelen gaat met vallen en opstaan, je kan jezelf daar niet voor behoeden.

Als je een grens hebt gevoeld, erkend, getrokken en hebt geaccepteerd kom je voor een volgende hobbel te staan: hoe ga ik dit communiceren? Ook dat is oefenen, oefenen, oefenen. Eerst bij mensen waarbij je je veilig voelt, dan met dingen die nog niet zo heel belangrijk voor je zijn (dat is nog lekker veilig) en dan met dingen die wel belangrijk voor je zijn. In mijn geval kwam het er vooral op neer dat ik een voor mij goeie toon vond. Ik had de neiging om het allemaal heel verontschuldigend te zeggen, mezelf te verdedigen en eigenlijk onbewust goedkeuring te vragen aan degene aan wie ik mijn grens probeerde duidelijk te maken. Dat begon heel vervelend te voelen. Dus ik ben gaan oefenen in mezelf serieus nemen en vriendelijk en beslist te zeggen wat ik wel en niet wil. Vaak oefen ik van tevoren al wat ik wil gaan zeggen, of ik schrijf het op, dat helpt goed. In het begin besprak ik dit vaak in therapie, omdat ik toch nog de bevestiging nodig had dat mijn grens klopte. Dat het niet raar was dat ik een grens voelde. Zo krijg ik langzamerhand het vertrouwen dat de grenzen die ik voel gewoon kloppen, gewoon omdat ik ze voel.

Belangrijk in het communiceren van je grenzen is dat je in verbinding blijft met de ander. Met een bot “dit wil ik niet” stel je wel een duidelijke grens, maar bevorder je niet echt de relatie, noch de communicatie. Al zal blijken dat het bij sommigen de enige manier is om duidelijk te zijn, bij de meesten werkt het het beste als je de boodschap puur bij jezelf houdt. Praat in de ik-persoon en maak geen verwijten (zoals bijvoorbeeld: jij vraagt teveel van me en daarom moet ik een grens aangeven). Maar zeg gewoon helder dat iets voor jou niet goed voelt, je hoeft je niet te verantwoorden en de ander hoeft het er ook niet mee eens te zijn. Vraag eventueel hoe het voor de ander voelt en neem dat gevoel serieus zonder je van je eigen grens af te laten brengen. Een ander kan en mag het vervelend vinden dat jij iets niet wil of anders wil. Dat neemt niet weg dat jij het toch gewoon mag doen zoals het voor jou goed voelt.

Als je ouder wordt veranderen je grenzen ook weer. Je hebt misschien minder energie, maar kan makkelijker omgaan met ‘moeilijke’ mensen, je krijgt andere interesses en vindt andere dingen belangrijk. Dan begint de zoektocht weer opnieuw. Dat klinkt misschien niet direct hoopgevend, maar uit eigen ervaring kan ik in ieder geval zeggen dat de zoektocht interessant is, nooit ophoudt en me bijzondere inzichten heeft gegeven. Het aangeven van mijn grenzen vind ik soms nog moeilijk, maar het helpt mij om in balans te blijven. Dus ga op ontdekkingsreis en zie wat je tegenkomt! Bon voyage!

Hansje Cozijnsen

Voor meer informatie over de psychische uitleg van grenzen en de stappen die je in psychologische zin kan zetten, wat veel dieper gaat dan wat ik hier heb besproken, kan ik je deze site aanraden: http://www.guidetopsychology.com/boundaries.htm (Engels). Ik heb wat informatie van deze site ook gebruikt in dit artikel, zie voetnoot.

1wikipedia